Beschrijving en theoretische analyse van Postvoorstelling van Jochem van Tol, Lars Kynde en Xandra van der Eijk.
Door stagiaire Marlou Otten
In de Andes van Bolivia, Chili en Peru leven ongeveer 1,6 miljoen mensen die Aymara spreken, een taal waarin niet wordt gezegd: ‘morgen begint er weer een nieuwe dag’. Maar: ‘morgen is gisteren, het verleden ligt voor ons en de toekomst ligt achter ons. De dood is een begrip dat boven het hoofd zweeft en het heden verschuift onder onze voeten’.
Jochem van Tol is student aan de interfaculteit Beeld&Geluid/Artscience van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten en het Koninklijke Conservatorium te Den Haag, en is één van de deelnemers aan het Project Perform 08/09. Van Tol raakt gefascineerd door het Aymara volk en vraagt zich af hoe wij, hier in Nederland, met die cultuur, met die taal, in aanraking zouden kunnen komen. Van Tol laat zich inspireren door een stapel ansichtkaarten die hij ooit toevallig op straat heeft gevonden. Deze ansichtkaarten waren niet aan hem gericht, maar toonden hem een verhaal van mensen die hij nooit had gezien.
Ansichtkaarten worden in Nederland vaak gebruikt om in woorden om te zetten wat we meemaken op reis. ‘Het is hier erg warm’ en ‘we liggen de hele dag op het strand’ zijn zinnen die inhoudelijk niet veel vertellen, maar samen met de foto aan de voorkant hebben ze een visualiserend karakter. De ontvanger van de ansichtkaart bevindt zich zo eventjes in de wereld van de reiziger. Met Lars Kynde en Xandra van der Eijk, beiden ook student aan de interfaculteit Beeld&Geluid/Artscience gaat Van Tol aan de slag met zijn ideeën. En uiteindelijk ontwerpen zij zeven verschillende kaarten die samen Postvoorstelling gaan vormen.
De zeven kaarten, waarvan ze van elk dertig hebben gemaakt, worden gedurende anderhalve maand met de post verstuurd naar dertig verschillende mensen. Deze mensen zijn het publiek, de ontvangers, en hebben zich van te voren aangemeld bij Project Perform 08/09. Als de ontvangers de post thuis krijgen, is er geen maker of acteur aanwezig. Er is slechts een dikke doorschijnende envelop met wat aanwijzingen en informatie over de Postvoorstelling. Elke envelop heeft een ander soort kaart in zich. De vorm, het geluid, het materiaal hangen af van de avonturen die het personage R. heeft beleefd. Het is onduidelijk wie R. is, maar de met vulpen geschreven tekst maakt vertelt dat R. eindelijk zijn verwachte reis gaat maken. R. schrijft in de eerste persoon en richt zijn kaarten aan de ontvanger persoonlijk, met als aanhef Beste …. Naast de tekst, waarin R. vertelt over zijn avonturen, gevoelens en gedachtes, hebben de kaarten ook een beeldend en auditief karakter. Uiteindelijk lijken ze helemaal niet meer op de ansichtkaarten met slechts een enkele zin en een foto van de omgeving, maar zijn het kaarten die via tekst, vorm, licht, geluid en beweging de zintuigen prikkelen.
Zo begint bij de eerste kaart een propellertje te draaien bij het openmaken en zijn er lichtjes die flikkeren. In de tekst staat dat het personage R. over zee heeft gereisd. Als je als ontvanger de kaart dicht bij je houdt, voel je een briesje van het propellertje komen, de associatie met de wind of met een boot is snel gemaakt. De lichtjes verwijzen naar de nacht, waarin bijvoorbeeld een vuurtorenlicht verschijnt en verdwijnt, of de schittering van lichtjes op de golven.
Soms gaan de kaarten gepaard met een gebruiksaanwijzing. Als R. bijvoorbeeld aan de andere kant van de wereld aangekomen is, is de kaart zo gemaakt dat je hem moet vouwen. Als je de kaart dan in het licht houdt, zie je via een spiegeltje het uitzicht van de horizon op zijn kop met een flikkering van de zon.
Ook krijgt de ontvanger een keer geen kaart, maar een groot opgevouwen papier met een gat erin. Het personage R. vertelt op dit papier hoe de inheemse bevolking in papieren kleding rondloopt. Na het verhaal gelezen te hebben kan de ontvanger zich inbeelden dat het gat in het papier dient om zijn/haar hoofd doorheen te steken, alsof het een kledingstuk is.
Wanneer de envelop verschijnt met slechts een klein mechaniekje met een knipperend lichtje en een speakertje, is het even puzzelen: hoe werkt dit? Wat is de bedoeling van dit ding? Na de draadjes met elkaar te hebben verbonden, is er een vrouwenstem te horen. Op dit moment wordt pas echt duidelijk hoe ver weg en vreemd de reis van R. is. Deze stem spreekt, zingt haast, maar wat precies, is niet duidelijk. Het lijkt op een andere taal, maar het is zo vreemd dat er niets van te begrijpen valt, zelfs niet waar de stem vandaan zou kunnen komen.
Als de laatste kaart is ontvangen, is niet duidelijk hoe het nou eigenlijk afloopt met het personage R. Misschien blijft hij wel voor altijd reizen. Maar af en toe gaf hij ook wel de indruk dat hij heimwee had.
De ontvangers van de kaarten hebben sinds de komst van de eerste envelop een belangrijke opdracht meegekregen: de kaarten moeten zorgvuldig bewaard worden, omdat de postbode ze weer op komt halen.
Op een dag staan Jochem van Tol, Lars Kynde en Xandra van der Eijk voor de deur, ze komen de post weer terughalen. Eventjes komen de makers met grote nieuwsgierigheid binnen, want: waar en bij wie heeft de Postvoorstelling zich eigenlijk afgespeeld?
'U bent uitgenodigd om een voorstelling te ontvangen'[1]
Dit is de boodschap op de eerste envelop van de serie kaarten die de makers Jochem van Tol, Lars Kynde en Xandra van der Eijk gedurende anderhalve maand naar dertig verschillende mensen hebben verstuurd. In de beschrijving van de Postvoorstelling hierboven, werd al duidelijk dat de voorstelling zich afspeelt bij de ontvangers thuis: de kaarten worden in doorzichtige enveloppen naar de ontvangers verstuurd. De kunstenaars zijn zelf niet aanwezig bij de voorstelling. Er zijn ook geen levende acteurs. De enige lijfelijk aanwezige tijdens de voorstelling, is de ontvanger. Alhoewel er meerdere mensen aanwezig kunnen zijn bij het openen van de envelop, wil ik mij in dit essay richten op de ontvanger als actieve deelnemer aan de Postvoorstelling. De ontvanger is actief betrokken bij de voorstelling, vanaf het moment dat hij de envelop thuis ontvangt en hem oppakt van de deurmat. Het verloop van de voorstelling is afhankelijk van de acties die de ontvanger onderneemt vanaf het moment dat hij actief betrokken is. Ook de ruimte van de voorstelling is afhankelijk van de ontvanger, omdat de voorstelling zich in het huis van de ontvanger afspeelt.
Met dit essay wil duidelijk maken hoe de notie van theatraliteit een belangrijke rol ging spelen in de beeldende kunst vanaf het Minimalisme. Hieruit zal blijken dat de ruimte (het huis van de ontvanger), het object (de Postvoorstelling) en het publiek (de ontvangers) elkaar beïnvloeden en dat de Postvoorstelling speelt met de grens tussen het dagelijks leven en het theater. De kans dat de actieve deelnemer een passieve toeschouwer wordt, wordt weggenomen omdat het verloop van de tijd waarin de Postvoorstelling zich afspeelt als middel wordt gebruikt om de ontvanger te blijven verrassen.
De samenhang tussen ruimte, object en publiek en de invloed die zij op elkaar hebben wordt duidelijk beschreven in het artikel Performing Objecthood van Naomi Stead. Dit artikel gaat over de relatie tussen museum, museumobject en publiek. Het uitgangspunt van Stead is dat het bezoek aan het museum als een theatrale ervaring kan worden gezien.
'In striving to negotiate a meaningful relationship between their audience and their objects, be they art or artefact, many contemporary museums have come to seem like staged and theatrical event-spaces.' [2]
Volgens Naomi Stead, spelen de objecten in het museum een spel met de toeschouwer. Dit spel, waarin de betekenis van het object afhankelijk is van de aanwezigheid van de toeschouwer, wordt in Steads artikel naar de (kunst)historicus Micheal Fried theatraliteit genoemd. De theatraliteit in musea is gekomen met het Minimalisme in de jaren zestig, toen naast de kunstwerken die authentiek, esthetisch, tijdloos en zelfverklarend zijn, ook artefacts, gebruiksvoorwerpen uit het dagelijks leven, als een museumobject deel konden zijn van de collectie. De vraag, wat nu eigenlijk een kunstwerk is, of artefacts wel in het museum thuishoren, werd vanaf de komst van het Minimalisme gelegd bij de toeschouwer. De rol van het museum is hiermee veranderd. Musea zijn er niet alleen om een authentiek kunstwerk te tonen, maar ook om de toeschouwer een authentieke ervaring mee te geven. Deze authentieke ervaring is afhankelijk van de toeschouwer zelf: de objecten van een museum hebben een intermediaal karakter waardoor de toeschouwer de verbanden die de museumobjecten met elkaar en met elementen die buiten het museum liggen hebben zelf kunnen leggen. Om de ervaring van de toeschouwer zo veel mogelijk centraal te stellen werd sinds het Minimalisme ook de ruimte van het kunstwerk, de ruimte waarin het publiek zich beweegt, aangepast. De architectuur en de inrichting van het museum stond voorheen namelijk ook in het teken naar het authentieke, tijdloze object. Nu probeert men zelfs de buitenkant van het museum te laten functioneren als een theatraal kunstwerk, waar de voorbijganger, die dan een toeschouwer is geworden, mee geconfronteerd wordt.[3]
Met de komst van de Postvoorstelling bij de ontvangers thuis, wordt de ontvanger direct geconfronteerd met het kunstwerk. De kunstenaars van de Postvoorstelling doen eigenlijk het tegenovergestelde met de ontvangers thuis als de Minimalisten met de toeschouwers in het museum: de ontvanger vraagt zich niet af wat een artefact in het museum doet, hij vraagt zich juist af wat het vreemde voorwerp bij hem thuis doet. Het spel tussen de ontvanger en de Postvoorstelling is met deze vraag direct begonnen. Er is meteen een notie van theatraliteit bij de Postvoorstelling, zonder dat daar een kunstenaar of acteur bij aan de pas komt. In het hoofd van de ontvanger worden vragen gesteld en verbanden gelegd met voorwerpen en ervaringen buiten het huis, terwijl hij zich in zijn eigen huis bevindt. Het huis van de ontvanger is, zoals het museum vanaf het Minimalisme, een theatrale ruimte geworden, het podium van het kunstwerk. De persoonlijke omgeving geeft, net als de inrichting en vormgeving van een museum, veel betekenis aan de ervaring van de ontvanger.
Tijdens de Postvoorstelling wordt echter niet alleen een ervaring bewerkstelligd bij de ontvanger, de ontvanger is als actieve deelnemer ook deel van het verloop van de voorstelling. Hij is als het ware de maker van de Postvoorstelling, omdat hij zelf de kaarten moet openmaken en bewegen om het complete effect van de kaarten te krijgen. Volgens Miwon Kwon in One place after another gaat het de kunstenaars (new public artists) tegenwoordig ook niet alleen om de confrontatie en de ervaring, maar om een nieuw doel in de kunst; van de toeschouwer een actieve deelnemer maken:
' (…) new public artists seek to engage (nonart) issues in the hearts and minds of the 'avarage man on the street' or 'real people' outside the art world. In doing so, they seek to empower the audience by directly involving them in the making of the art work, either as subjects or, better, as producers themselves.'[4]
In de voorbeelden die Kwon in haar boek geeft gaan de kunstenaars de straat op, ze zoeken naar locaties buiten de kunstwereld. Niet de museumbezoekers, maar de ‘gewone’ mens op straat wordt geconfronteerd met de kunst en zelfs aangemoedigd deel te zijn van het kunstwerk. Oorspronkelijk was het volgens Kwon het idee van de kunstenaars een breder publiek te bereiken en kunst geaccepteerd te laten worden. De openbare ruimte is hier de perfecte locatie voor. Tegenwoordig is kunst in de openbare ruimte geen uitzondering meer. Met de kunstwerken in de openbare ruimte, zoals straat, natuur, op de snelweg, in openbare gebouwen, in de vorm van beelden, schilderijen, videoschermen, etc., is de ‘gewone’ mens, op weg naar zijn werk bijvoorbeeld, niet meer bewust van de kunst. De kunst is deel van ons dagelijks leven geworden en we zijn slechts passieve voorbijgangers. Een manier om de voorbijganger toch actief te betrekken, is door theatraliteit toe te voegen, in de zin dat er een spel ontstaat tussen toeschouwer en object. De voorbeelden die Kwon geeft in One place after another hebben echter een ingrediënt dat de Postvoorstelling niet heeft: de fysiek aanwezige acteur of kunstenaar. In de voorbeelden van Kwon zijn het de aanwezige acteurs of kunstenaars die het proces in gang zetten en de toeschouwer aanmoedigt deel te nemen. In de Postvoorstelling is er geen acteur of kunstenaar aanwezig om de ontvanger aan te moedigen mee te doen. Toch is het juist de ontvanger van de Postvoorstelling die het proces van het kunstwerk bepaalt. [5]
Eerder in dit essay stelde ik al dat de persoonlijke omgeving van de ontvanger van de Postvoorstelling veel betekenis geeft aan de ervaring van de ontvanger. Maar kan de persoonlijke omgeving er ook voor zorgen dat de ontvanger een actieve deelnemer wordt? Is het niet veel logischer dat de persoonlijke omgeving, net als dat gebeurt met de kunstobjecten in de openbare ruimte, er voor zorgt dat we kunst accepteren en uiteindelijk niet eens meer opmerken? Kunstobjecten zijn namelijk niet vreemd in de huiskamer: schilderijen aan de muren, plaatjes en foto's in de krant, boeken in de kast zijn kunstobjecten die de mens zelf in zijn huiskamer brengt. Televisie, (spel)computer en mobiele telefoon zijn nieuwe media die kunst in de huiskamer kunnen laten komen. De dagelijkse confrontatie met deze kunstobjecten maken de kunstobjecten deel van het dagelijks leven. De theatraliteit van de kunstobjecten vervalt hierdoor: de gewenning zorgt ervoor dat het spel tussen object en toeschouwer wegvalt: na een tijdje wordt een boek niet meer gelezen, maar in de kast gelegd, de krant komt op de papierbak, het schilderij wordt onderdeel van de muur.
Alan Read probeert in zijn boek Theatre & Everyday Life onderscheid te maken tussen theater en het dagelijkse leven. Hij zegt:
'Theatre, by definition, is not this daily domain but an extra-daily dimension, beyond the everyday
but irronically dependent on the everyday realm. It is the continual negotiation between theatre and its ground, performance and the quotidian (..)'[6]
De post is een medium, dat net als televisie en computer, deel uitmaakt van ons dagelijks leven. Echter, we ontvangen kaarten zoals die van de Postvoorstelling niet elke dag. De kaarten hebben een speciale vormgeving en inhoud. Voor de ontvanger is het met het ontvangen van de Postvoorstelling meteen duidelijk dat het iets speciaals is: aan de ene kant is het post, maar aan de andere kant is het geen normale post. De ontvanger wordt aangemoedigd de Postvoorstelling te openen door zijn eigen nieuwsgierigheid. De ruimte waarin hij zich begeeft is de dagelijkse beweegruimte van de ontvanger, hij voelt zich hier vrij om de post te openen, te bekijken, te onderzoeken en ermee te spelen. Hij hoeft geen rekening te houden met andere mensen of voorbijgangers. De ervaring en het verloop van de Postvoorstelling is een persoonlijk proces dat zich in het huis van de ontvanger afspeelt. Alan Read noemt dit de dialectiek van het theater en het dagelijks leven. Het theater is niet per sé het traditionele theater, zoals we die in de theatergebouwen kunnen zien, het is juist het theater dat zich overal af kan spelen, zolang het maar met mensen te maken heeft. Read benadrukt de rol van het theater als
'(…) a process of building between performers and their constituencies which employs the medium of images to convey feeling and meaning.''[7]
Echter, na een tijdje is de ontvanger klaar met het bespelen van de Postvoorstelling. Doordat de Postvoorstelling zich bij de ontvanger thuis afspeelt geeft het niet alleen de vrijheid om de kaarten te openen, bekijken, onderzoeken en ermee te spelen op hun eigen manier, het geeft de ontvanger ook de vrijheid de Postvoorstelling ergens neer te leggen als ze erop uitgekeken zijn. Om de ontvanger te blijven stimuleren en actief te laten zijn heeft de tijd een belangrijke rol in de Postvoorstelling: gedurende anderhalve maand komt er elke week een nieuw deel met de post. De ontvanger blijft op deze manier nieuwsgierig, want elk deel geeft weer een beetje informatie over het geheel van de Postvoorstelling. Totdat de kunstenaars het geheel komen ophalen. Op dat moment komt het besef dat de Postvoorstelling nooit in het bezit is geweest van de ontvanger. De Postvoorstelling heeft nooit de kans gehad om van een theatraal kunstwerk naar een dagelijks artefact te transformeren, omdat het nooit de tijd heeft gehad een plekje te veroveren tussen de andere voorwerpen die deel zijn van de dagelijkse omgeving,
De Postvoorstelling is een theatrale gebeurtenis gebleven dat zich ooit afspeelde bij de ‘gewone’ mens thuis, zonder dat er een fysiek aanwezige acteur of kunstenaar bij aanwezig was. De ontvangers werden actieve deelnemers door hun eigen nieuwsgierigheid dat werd opgewekt door de vorm (als vreemde post) waarin de Postvoorstelling zich aandiende en de ruimte (het huis) waarin de ontvangers zich bewogen. De kans om opgenomen te worden in het dagelijks leven werd weggehaald door de bespeling van de tijd.
Literatuur:
Kwon, M., One place after another: site-specific art and locational identity, Massachusetts Institute of Technology,
Read, A., Theatre and Everyday Life, An Ethics of Performance, Routledge, Londen, 1993.
Stead, N., Performing Objecthood, Museums, architecture, and the play of artefactuality, pp 37-
Performance:
Tol, J. van, Kynde L. en Eijk, X. van der, Postvoorstelling, Project Perform 08/09, Amsterdam, 2008.
[1] Tol, J. van, e.a., eerste envelop Postvoorstelling, 2008
[2] Stead, N, Performing Objecthood, Museums, architecture, and the play pf artefactuality, pp 37-
[3] Stead, N, Performing Objecthood, Museums, architecture, and the play pf artefactuality, pp 37-
[4] Kwon, M, One place after another: site-specific art and locational identity, Massachusetts Institute of Technology,
[5] Kwon, M, One place after another: site-specific art and locational identity, Massachusetts Institute of Technology,
[6] Read, A, Theatre and Everyday Life, An Ethics of Performance, Routledge, Londen, 1993, p ix
[7] Zie noot 6, p 5